Jaap Mulder: Afschot vossen heeft weinig effect

Jaap Mulder: Afschot vossen heeft weinig effect

Al vijfendertig jaar doet bioloog Jaap Mulder onderzoek naar roofdieren en geeft hij adviezen over de omgang met deze (voor ons soms lastige) soorten. Hij is vooral deskundig voor wat betreft vossen, dassen, wasbeerhonden, wasberen, wilde katten en boommarters. Maar er is één dier dat in zijn leven centraal staat en dat is de vos. Een prachtig dier met een negatief imago.

Organisaties als Vogelbescherming en SOVON luiden al enkele jaren de noodklok met betrekking tot de achteruitgang van het aantal weidevogels. Oorzaken die zij noemen zijn onder andere het verdwijnen van geschikt leefgebied door de intensivering van het landgebruik. Een andere oorzaak die mogelijk bijdraagt is predatie door bijvoorbeeld de vos en de steenmarter.

Hieronder een interview met Jaap Mulder, hem is de vraag gesteld in hoeverre roofdieren bijdragen aan de achteruitgang van de weidevogels. Ook hebben we hem gevraagd wat zijn visie is op de bestrijding van predatoren.

Weidevogels en bestrijding predatoren
De discussie over weidevogels en bestrijding van de predatoren is volgens Jaap een lastige. Weidevogels zijn in Nederland tot bloei gekomen in een periode dat er in de weidegebieden geen roofdieren waren, doordat de mens die door de eeuwen heen met alle mogelijke middelen heeft bestreden. Hierdoor zijn de weidevogels niet opgegroeid met de aanwezigheid van roofdieren en is de mens gewend geraakt aan dichtheden van weidevogels die feitelijk ‘onnatuurlijk’ hoog zijn.
Het hoogtepunt van de bloei vond plaats in de jaren vijftig en zestig toen de bemesting van de graslanden zo sterk was toegenomen, dat er voldoende van was om een hoge wormenstand te creëren. Deze hoge wormenstand is voor weidevogels van cruciaal belang. Afgezien van een gebrek aan roofdieren, waren er ook geen roofvogels, zoals havik en buizerd, in de open weidevogelgebieden. Door de beschermende maatregelen en veranderde inzichten, waardoor gif en klemmen werden verboden, zijn roofdieren langzamerhand weer in deze gebieden teruggekomen. In feite de natuurlijke situatie.

Landbouwintensivering
Tegelijkertijd ging de landbouw door met intensiveren, waardoor het voor de weidevogels steeds moeilijker werd om te overleven. Dat kwam onder andere door te lage waterstanden, schaalvergroting, eenvormiger worden van de vegetatie. De meest extreme vorm van verarming lijkt nu wel te zijn bereikt met ‘akkers’ met uitsluitend Engels raaigras, waar geen insecten meer voorkomen die als voedsel dienen voor jonge weidevogels. Als je weidevogels in Nederland wilt behouden, zal je keuzes moeten gaan maken.
Als de boeren allemaal nog zouden werken zoals in 1960 en de vos kwam terug, dan was dat niet zo’n probleem. Dan zou er wel predatie optreden, maar kunnen weidevogels dat prima compenseren. Die situatie is er niet meer. Het gaat nu alleen nog om kleine gebieden met kleine weidevogelpopulaties die alleen al door hun omvang kwetsbaar zijn.
Het intensiveren van de landbouw wordt in de hand gewerkt, doordat door consumenten veel te weinig voor voedsel wordt betaald. Als er een omslag zou worden gemaakt naar biologische veeteelt, met een goede prijs voor de boeren dan zou het voor weidevogels geschikte areaal zo kunnen worden uitgebreid dat je roofdierbestrijding helemaal niet nodig hebt.
Tegenwoordig zijn boeren steeds meer ondernemer geworden. Vroeger waren het meer natuurliefhebbers. Jaap kan zich niet voorstellen dat een boer met eenvormige akkers van Engels raaigras blijer is dan een boer met kruidenrijke graslanden, waar allerlei vogels en insecten leven. Jonge boeren van tegenwoordig hebben nog nooit leeuweriken in de polders gezien en gehoord. Zolang de huidige omstandigheden niet veranderen, verwacht Jaap niet dat de achteruitgang van de weidevogels nog is te stoppen.
Jaap verwacht dat het onderscheid tussen intensief agrarisch land en natuur steeds scherper wordt. Op het ‘reguliere’ boerenland is er geen redden meer aan wat betreft de biodiversiteit. Er is nu ongeveer dertig jaar met allerlei subsidies getracht om de aantallen weidevogels te doen toenemen. Dat heeft helemaal niets opgeleverd. Als optimist is hij, paradoxaal genoeg, pessimistisch wat betreft de toekomst van de weidevogels. Doordat de omstandigheden voor de weidevogels steeds ongunstiger zijn geworden, zijn deze populaties steeds kwetsbaarder geworden voor predatie. Ze zijn niet meer in staat de verliezen te compenseren. Je zult dus moeten proberen om op lokale schaal de predatiedruk te verminderen.

Vos kan prima zonder weidevogels leven
Het is duidelijk dat vossen in het voorjaar graag een weidevogel-eitje eten, maar vossen kunnen in de open gebieden ook prima zonder de weidevogels leven. In feite hebben vossen de weidevogels niet nodig, omdat ze genoeg ander voedsel kunnen vinden. Muizen, bijvoorbeeld, vormen het stapelvoedsel voor vossen.
Er is onderzoek gedaan met zenders en daaruit blijkt dat ze als een soort stofzuiger de omgeving afzoeken. Dat doet een vos ook als hij op zoek is naar muizen, maar dan maakt hij vooral gebruik van zijn gehoor. In het geval van nesten maakt hij gebruik van geur, maar waarschijnlijk ook van warmte. Jaap vertelt zelf een keer meegemaakt te hebben dat een poolvos in Siberië in een vallei alle nesten had gepredeerd op één nest na. Dat nest was niet bebroed en dus net zo koud als de omgeving.

Voedselaanbod
In Friesland zijn de weidegebieden sterk ontwaterd en daardoor niet geschikt voor weidevogels maar wel voor muizen. Dit kan resulteren in een muizenplaag. Jaap geeft aan dat er zoveel verschillende predatoren op deze overvloed aan muizen afkomen dat het problemen gaat opleveren voor de weidevogels, zodra de aantallen muizen teruglopen.
De weidevogels zijn voor vossen dus niet van belang voor het voedselaanbod, want dit wordt bepaald door de aanwezigheid van muizen. Vroeger waren in droge gebieden ook konijnen belangrijk als stapelvoedsel, maar daar gaat het op dit moment nog steeds slecht mee. In gebieden waar van oudsher veel konijnen zaten, heeft hun huidige afwezigheid effect op vossen. In die gebieden krijgen ze nu minder jongen en zullen ze proberen hun territoria groter te maken. Bij tijdelijke voedselrijkdom houden vossen lang vast aan hun eigen territorium. Pas als het voedselaanbod structureel hoger blijft, zullen de territoria langzaam kleiner worden.

Vossen op de vrijstellingslijst
Jaap heeft verschillende provincies geadviseerd om zich voor het behoud van de weidevogels te richten op enkele grote kansrijke gebieden. In Friesland beschouwt het provinciaal bestuur de hele provincie als weidevogelgebied en moeten vossen overal worden bestreden. Jaap stelt dat dit geen enkele zin heeft. Hij geeft wel eens adviezen over de beste manier om vossen te bestrijden. Daar zit dan wel het idee achter dat je het zo moet doen dat er veel minder vossen geschoten worden, dan nu het geval is. Je zou de bestrijding dan moeten concentreren in een voor weidevogels kansrijke gebied. Dat kan in het huidige systeem niet meer, omdat vossen nu op de landelijke vrijstellingslijst staan en daardoor het hele jaar in het hele land geschoten mogen worden. Dat kon nog wel toen, met de invoering van de Flora- en faunawet in 2002, de vos werd beschermd. Toen waren er altijd ontheffingen nodig en kon je het vossenbeheer sturen. Die bescherming duurde tot 2006, toen de jagers- en boerenlobby het weer won in de Tweede kamer.
Zijn adviezen voor het beheer van vossen zijn hierdoor veel minder toepasselijk geworden, want jagers gaan toch hun eigen gang. Alleen natuurbeheerders proberen zijn adviezen wel in de praktijk te brengen, bijvoorbeeld in het geval van korhoenders of hamsters. Er wordt dan vanaf 1 februari gedurende een korte tijd geschoten. Dat is moeilijk, maar elke vos die je dan schiet is tien keer zo effectief als een vos die je in november schiet. Bij lezingen probeert Jaap duidelijk te maken dat het schieten van vossen in herfst en winter geen zin heeft. Het is heel moeilijk jagers daarvan te overtuigen. Zij menen dat elke dode vos een vos minder betekent. Dat ze alleen maar bezig zijn de natuurlijke sterfte te vervangen door afschot, wordt niet beseft. Elke vos die je doodt, vergroot de overlevingskans van een andere vos, die anders van honger of ziektes zou zijn omgekomen. Jagers vinden het bovendien gewoon leuk en spannend om een vos te schieten. De haat tegen vossen zit heel diep. Ze zien vossen als hun concurrent, want door de aanwezigheid van vossen kunnen ze mogelijk een haas minder schieten…

Afschot vossen heeft weinig effect
Jonge vossen die niet direct een territorium kunnen bezetten, gaan zwerven. Uit onderzoek door Jaap zelf is gebleken dat jonge vossen eerst beginnen met het maken van uitstapjes, waarna ze weer terugkomen. Daarna kunnen ze trektochten maken waardoor ze 30 of 40 kilometer verderop terechtkomen. Als ze een hele winter lang zwerftochten hebben gemaakt, maar geen eigen territorium hebben weten te veroveren, dan hebben ze de neiging om zich toch ergens te gaan settelen. Ze proberen dan tussen de territoria te leven, in een gebied zo groot als vijf tot tien territoria. Dat kunnen ze vrij lang volhouden. Vossen hebben geen paarband voor het leven. Ze hebben meer een band met het gebied. Deze niet gevestigde vossen zorgen ervoor dat afschot weinig effect heeft, aangezien de plaats van een dode vos direct kan worden overgenomen.

Op de vraag of er een toename van vossen is, antwoord Jaap dat dit niet het geval is. In Zeeland en het centrum van Zuid-Holland neemt het aantal nog wat toe, maar dat zijn de laatste stukjes van Nederland. In provincies zoals Noord-Holland, Friesland en Noordwest Overijssel neemt het aantal vossen niet meer toe. Dat kan ook niet. Daar zijn alle territoria bezet. Als je daar vossen schiet, worden ze vervangen door andere vossen. De territoria worden niet kleiner als het voedselaanbod gelijk blijft.

Voedselvoorziening voor de mens
De weidegebieden bestaan alleen maar om mensen van voedsel te voorzien. Het is geen natuur. Als je deze gebieden geheel met rust zou laten, zouden de meeste veranderen in (moeras)bos. Het open landschap wordt dus vooral in stand gehouden voor onze voedselvoorziening.
In de laatste zeventig jaar is het beheer van dit landschap de verkeerde kant op gegaan. Daarbij is steeds minder oog voor de andere aspecten die dit landschap kan bieden, zoals ruimte voor planten en dieren. Veel mensen die door het landschap fietsen vinden het prachtig, maar realiseren zich niet dat het inmiddels zeer eenvormig is geworden, met heel weinig natuurwaarden. Koekoeken, leeuweriken, graspiepers, vlinders en bloemen zijn allemaal weg. Dat is een prijs die wij als maatschappij betalen voor goedkoop voedsel.
Eigenlijk zou het buitengebied in drieën moeten worden gedeeld. Een deel voor natuur waar natuurlijke processen zoveel mogelijk hun gang kunnen gaan, een deel waar de cultuurlandschappen in stand worden gehouden, zoals bloemrijke weides ten behoeve van insecten en weidevogels. Dat is mogelijk met biologische landbouw. En een deel waar alles op de voedselproductie is gericht en waar allerlei kritische soorten dus geen kans meer krijgen, en dat we niet meer beschouwen als natuur maar meer als ‘industriegebied’.

Wat kan Fauna4Life doen?
Natuurlijk stelden we hem de vraag wat wij als organisatie zouden kunnen doen. Hij vindt het een prima idee om met betrekking tot de jacht samenwerking te zoeken met gelijkgestemde organisaties. Het zou mooi zijn om het hele faunabeheer in het bredere perspectief van voedselvoorziening voor de mens te betrekken.

Deel ons bericht

Pin It on Pinterest