We moeten weer leren hoe je de natuur aan haar lot kan overlaten

We moeten weer leren hoe je de natuur aan haar lot kan overlaten

In gesprek met Jozef Keulartz

Prof. dr. Jozef Keulartz is als emeritus bijzonder hoogleraar Duurzaamheid en Levensbeschouwing verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ook was hij als universitair hoofddocent verbonden aan de leerstoelgroep Toegepaste Filosofie van Wageningen Universiteit & Research Centrum (WUR). Hij publiceerde veel over sociale en politieke filosofie, maar sinds de jaren ‘90 van de vorige eeuw houdt hij zich ook bezig met dierethiek, milieufilosofie en natuurbeleid. Daarnaast is hij voorzitter geweest van de door Frans Vera opgerichte stichting Natuurlijke Processen.

In uw boek ‘Dieren in ons midden’ refereert u aan de invloed van de sociale media. Hoe werkt dit nadelig ten opzichte van onze omgang met dieren in het wild?

Door de algoritmes kom je eigenlijk alleen maar tegen wat je zelf denkt en wat je graag wilt horen. De Oostvaardersplassen zijn hier een goed voorbeeld van. Het begon daar met een explosie op sociale media die in eerste instantie geïnitieerd was door de ‘paardenmeisjes’. Het probleem is dat mensen zelf niet meer op zoek gaan naar de informatie en de feiten die erachter schuilgaan en zo de essentie van de zaak missen. Een ander goed voorbeeld levert Nieuw-Zeeland. Dit land had van oorsprong geen zoogdieren, maar slechts vogels, amfibieën, ongewervelde dieren en een handjevol reptielen. Dat veranderde toen de Maori’s en daarna de Engelsen arriveerden. Zij brachten allerlei dieren mee die de unieke inheemse planten en dieren van Nieuw-Zeeland om zeep hielpen. Vervolgens besloot men het 1080-programma te starten dat inhield dat er enorme hoeveelheden van een biologisch afbreekbaar bestrijdingsmiddel werd uitgestrooid, dat niet schadelijk is voor inheemse dieren maar wel dodelijk is voor zoogdieren. Dit stuitte van meet af aan op verzet, maar de protestacties trokken aanvankelijk weinig publiek. Dat veranderde in 2018 onder invloed van de sociale media, die in korte tijd enorme mensenmassa’s op de been wisten te brengen. In Nederland gebeurt eigenlijk hetzelfde. Via de media zijn snel veel mensen te bereiken, maar deze mensen lijken verder niet de moeite te nemen om zich te informeren over het hoe en waarom.

Via de media zijn snel veel mensen te bereiken, maar deze mensen lijken verder niet de moeite te nemen om zich te informeren over het hoe en waarom.

De jachtlobby in Nederland is heel sterk en zoekt ook continu de media op. Welk effect heeft deze jachtlobby?

Enkele weken geleden was er een themanummer in Trouw over de jacht met daarin een essay van hoogleraar René ten Bos, met als titel ‘De jacht: omstreden, maar ook uiterst menselijk’. Hij heeft ook het boek ‘Extinctie’ geschreven waarin hij het verdwijnen van mens en dier beschrijft. In het artikel werd de jacht door meerdere mensen als positief voorgesteld. Men doet net alsof het helemaal mis gaat met de natuur als de mens niet ingrijpt. Te gek voor woorden. Het resultaat is dus dat de jachtlobby via verschillende kanalen en vooraanstaande mensen voet aan de grond krijgt en houdt.

Men doet net alsof het helemaal mis gaat met de natuur als de mens niet ingrijpt.

Voor het wetsvoorstel Wet natuurbescherming bent u in 2015 als deskundige gevraagd om uw mening te geven over deze wet in relatie tot de jacht. Interessant is dat u stelt dat in een gebied zonder afschot het gemiddeld aantal jongen lager is dan in een gebied met afschot? Hoe zit dat?

Dat is een bekend verschijnsel. Het wild heeft altijd te maken met periodieke voedseltekorten en is daar op ingesteld. Zo is er een vermindering van de vruchtbaarheid van vrouwtjes als gevolg van vermagering. In de Oostvaardersplassen kregen dit soort natuurlijke processen tot voor kort alle ruimte. Om onnodig lijden te voorkomen, werd wel per dag bekeken wat de conditie was van een dier en daarop werd bepaald of het wel of niet afgeschoten moest worden. Het gevolg van bejaging in de rest van Nederland is dat de reproductiesnelheid omhoog gaat. Herten op de Veluwe, waar veel afschot is, produceren jaarlijks gemiddeld 1 tot 1,5 kalfje per hinde, tegen 0,6 in een gebied zonder afschot. In de Oostvaardersplassen was de vermagering van de dieren goed zichtbaar en dat stuitte mensen tegen de borst, terwijl de wantoestanden in maneges, megastallen en gedurende de jacht zich aan het publieke oog onttrekken.

Kunnen we hier een kenmerk van de humanisering van de natuur in ontdekken?

Zeker. Een van de nadelen van humanisering is dat mensen wilde dieren gaan bekijken op basis van dezelfde normen en waarden die ze voor hun eigen huisdier hanteren. Uit onderzoek blijkt ook dat veel huisdiereigenaren hun hond of kat belangrijker vinden dan andere familieleden. Een gevolg hiervan is dat het zichtbaar lijden van wild ook gezien wordt in de lijn van het humaniseren. Het gevolg daarvan is weer dat onder druk van protestgroepen de natuurlijke processen opzij worden gezet en er afschot gaat plaatsvinden. Er moeten nu weer 1000 gezonde herten in de Oostvaardersplassen worden afgeknald. Een van de boswachters reageerde met de opmerking dat dan de vlierbes weer terugkomt. Ja, fijn.

Er moeten nu weer 1000 gezonde herten in de Oostvaardersplassen worden afgeknald.

Is het geen vreemd idee dat men bepaalde soorten afschiet om andere soorten te redden?

Een groot deel van de Oostvaardersplassen is een graasgebied. Als dat zou dichtgroeien met bomen, omdat er veel minder grote grazers zijn als gevolg van het afschot, zouden bijvoorbeeld de grauwe ganzen verdwijnen. Die ganzen houden het moerasgebied, het andere deel van dit Natura 2000-gebied , open. Gebeurt dat niet dan verdwijnen er heel veel soorten vogels. Het verdwijnen of verminderen van het aantal grote grazers kan dus betekenen dat het moerasgebied op den duur verdwijnt, inclusief de 31 daar aanwezige, beschermde vogelsoorten.

Toch hoor of lees je vaak dat de mens verantwoordelijk is voor het beheer wanneer er een hek omheen staat. Wat is uw idee daarover?

In het tweede rapport van de ICMO (Internationale Commissie betreffende het Management van de Oostvaardersplassen)  is onderzoek gedaan naar een viertal eilanden met eenzelfde oppervlakte als de Oostvaardersplassen waar al eeuwen kuddes wilde hoefdieren rondrennen. Uit dat onderzoek blijkt dat de sterftepercentages daar hetzelfde zijn als in de Oostvaardersplassen. Een hek belemmert dus geenszins allerlei processen. Overigens is er altijd wel een soort ‘hek’ in de vorm van een zee, bergketen, rivier, een ander soort terrein, enz.

Een hek belemmert dus geenszins natuurlijke processen. Er is altijd wel een soort ‘hek’ in de vorm van een zee, bergketen, rivier, een ander soort terrein, enzovoort.

Maar dan komt men met het argument dat er geen toppredator is. Is het ontbreken van een toppredator dan geen probleem?

In onze contreien zijn het de beschikbaarheid van voedsel, ziektes en onderlinge concurrentie die de populatie reguleren. Veel meer dan een roofdier zou doen. Roofdieren zouden de jager overbodig kunnen maken. Ook roofdieren reguleren zelf hun aantallen met name door onderlinge concurrentie. De lynx bijvoorbeeld, pakt welpjes van wolven. Uiteindelijk regelen de mechanismen in de natuur het allemaal zelf, al veel langer dan de mens er is.

Uiteindelijk regelen de mechanismen in de natuur het allemaal zelf, al veel langer dan de mens bestaat.

Op de Veluwe schieten ze jaarlijks duizenden wilde zwijnen af. Dat zou dan toch overbodig moeten zijn?

Als het een goed mastjaar is, explodeert het aantal wilde zwijnen. Na dat jaar volgen vaak vier à vijf heel slechte mastjaren. Het komt namelijk maar eens in de vier à vijf jaar voor dat de bomen gezamenlijk zoveel voedsel produceren. Door het imploderen van de populatie wilde zwijnen tijdens de slechte mastjaren, hebben de boomvruchten meer kans om een boom te worden. Zo zie je dus dat de natuur zichzelf prima in balans kan houden. Je hebt helemaal geen jagers nodig. Bovendien schieten jagers sociale structuren kapot en verstoren ze de natuurlijke populatiedynamiek waardoor het mechanisme ontregeld wordt en de natuurlijke processen om zeep worden geholpen.

De natuur kan zichzelf prima in balans houden. Je hebt helemaal geen jagers nodig.

Nu begrijpen wij van verschillende onderzoekers dat het lastig is om in dergelijke gebieden onderzoek te doen naar deze processen. Heeft u enig idee hoe dat komt?

Wat mij zeer verbaast, is dat de Faunabeheereenheden die voornamelijk bestaan uit jagers het afschotpercentage en de voorjaarsstanden mogen bepalen. Onder druk van de Kamer en de nieuwe natuurwet was het de bedoeling dat er ook mensen vanuit natuurbeschermingsorganisaties bij die Faunabeheereenheden zouden aansluiten. Die zagen dat terecht niet zitten. Ik vind het krankzinnig dat wij natuurbeheer overlaten aan boeren en jagers die daar alleen maar een eigen belang, namelijk het afschot, bij denken te hebben. Zij zullen nooit objectief onderzoek toelaten.

Het blijkt ook lastig te zijn om recente onafhankelijke wetenschappelijke onderzoeken te vinden over de jacht. Het is bijvoorbeeld moeilijk te achterhalen of jagen schade aan gewassen voorkomt en het aantal wildaanrijdingen structureel vermindert. Hoe kijkt u daar tegenaan?

Dergelijke gegevens zijn op landelijk niveau lastig te verzamelen en als je al wilt jagen, kun je ook denken aan een heel andere vorm om eventuele gewasschade en wildaanrijdingen te voorkomen. Ik noem het de hinderlaagjacht. Je gaat dan alleen maar jagen in de akkerranden en wegbermen. Je schiet dan jaarrond op onverwachte tijden alleen maar om te voorkomen dat de dieren hun gebied verlaten. Dieren ervaren de randzones op den duur als gevaarlijk. ‘Hunting for fear’ in plaats van ‘hunting to kill’, zoals dat ook wel wordt genoemd. Daardoor schiet je heel weinig dieren en voorkom je gewasschade en aanrijdingen. Onderzoek in Amerika toonde aan dat dit zeer effectief is. Het lage aantal dieren dat dan afgeschoten wordt, is vergelijkbaar met het verlies door een roofdier. Het is toch te gek dat er op de Veluwe soms wel zo’n 5000 van de 6000 zwijnen afgeschoten worden?

Een wel acceptabele vorm van jacht is hinderlaagjacht. Dieren ervaren de randzones op den duur als gevaarlijk. ‘Hunting for fear’ in plaats van ‘hunting to kill’.

Door veel organisaties wordt nog steeds gepleit voor aaneenschakeling van natuurgebieden en  grote kerngebieden. Waarom wordt daar geen constructief beleid op gezet?

Nederland was voorloper met beleid met betrekking tot de Ecologische Hoofdstructuur, de voorloper van Natura 2000. Er zouden mooie corridors komen om kerngebieden met elkaar te verbinden en zo complete ecosystemen te vormen. Zoals we weten zijn de corridors door de toenmalige staatsecretaris Bleker tegengehouden. Ed Nijpels noemde dat een zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis. Zo werd de beloofde Rijksbijdrage van 240 miljoen euro voor de aanleg van een elf kilometer lange en anderhalve kilometer brede verbindingszone tussen de Oostvaardersplassen en het Horsterwold met één pennenstreek geschrapt.

Twee derde van ons grondgebied heeft een agrarische bestemming, en twee derde daarvan wordt gebruikt voor de veeteelt. Ik noem het landschap weleens een veevoederlandschap. We verdienen er heel weinig aan, nog geen 1% van het Bruto Nationaal Product. Als we dat naar een normaal niveau zouden terugbrengen waarin Nederland zelfvoorzienend wordt, dan komt er zoveel ruimte vrij voor natuur. Momenteel is maar 13% van het Nederlandse grondgebied natuur, waarvan de helft bestaat uit grote wateren, terwijl er afgesproken was dat het in 2020 17% moest zijn.

Meer ruimte voor natuur en fauna door de landbouw kleinschalig en nog veel intensiever te maken. Dan houd je heel veel gebied over voor natuurontwikkeling. Is dat wat u bedoelt?

Onze landbouw bestaat vooral uit eenjarige planten, grote machines rijden de bodem dicht, er zit geen leven meer in en op. Er zijn zeer nadelige gevolgen voor het bodemleven en ook voor de flora en fauna. De landbouw moet op de schop. Er zijn allerlei alternatieven voor de gangbare landbouw in ontwikkeling. Neem bijvoorbeeld de voedselbossen. Die kennen zeven lagen waaruit geoogst kan worden. Hoewel de opbrengt per hectare van elke afzonderlijke teelt lager kan zijn dan in monoculturen, is de totale opbrengst van een voedselbos potentieel groter omdat zonlicht en water effectiever gebruikt worden. Voedselbossen zouden een prachtige buffer kunnen vormen rondom natuurgebieden, alwaar het wild zich ook kan schuilhouden. In de stedelijke gebieden zouden we moeten gaan werken met voedselflats. Omdat de verticale landbouw uit meerdere verdiepingen bestaat, kost de teelt van groente en fruit tien tot twintig keer minder ruimte dan de conventionele landbouw. De verticale landbouw is niet alleen milieuvriendelijker dan de conventionele landbouw vanwege het geringe ruimtebeslag, maar ook omdat er veel minder water en meststoffen en helemaal geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt worden.  

De landbouw moet op de schop.

Mag de mens ingrijpen in natuurlijke processen om te streven naar een bepaald natuurdoeltype? (het in stand houden van een heideveld of stuifzand etc.) en zo ja, hoe ver mag dat ingrijpen gaan?

Ik denk dat wij voor bepaalde natuurdoeltypen niet zonder ingrijpen kunnen. Behalve aan de unieke ligging in een delta van grote rivieren, is de biodiversiteit in ons land ook te danken aan de verrijkende invloed van de mens, die deze delta eeuwenlang intensief voor land- en bosbouw heeft gebruikt. Hierdoor ontstond een grote verscheidenheid aan cultuurlandschappen, waarvan een aantal elders in Europa niet of nauwelijks voorkomt. Om deze landschappen in stand te houden, is menselijk ingrijpen onontbeerlijk. Als we niet regelmatig zouden maaien en plaggen, bomen zouden kappen of struwelen zouden weghalen, dan zou uiteindelijk alles dichtgroeien. Een van de manieren om gebieden open te houden is door middel van natuurlijke begrazing.

Er zit ook een bepaalde dynamiek in deze ecosystemen. Van alle Europese landen bezit ons land verreweg het grootste areaal aan heidelandschappen. Daar komen veel soorten van de rode lijst voor: tapuit, draaihals, sierlijk rendiermos, zandhagedis, hazelworm, de kleine heidevlinder, etc. Als je die allemaal wilt behouden, zul je een bepaalde wijze van beheer moeten toepassen, omdat je deze soorten niet in bossen vindt.

Volgens recent onderzoek van professor Piersma zal de grutto, onze nationale vogel, gaan verdwijnen. Is het verdwijnen van soorten iets wat we misschien moeten gaan accepteren?

Ook om weidevogels als de grutto van de ondergang te behoeden moet de landbouw op de schop. Hun aantal is sterk teruggelopen sinds de gevarieerde, bloemrijke graslanden, waarvan de weidevogels afhankelijk zijn voor voedsel, dekking en nestgelegenheid, hebben plaatsgemaakt voor monoculturen van gedraineerde Engelse raaigraslanden, waaruit alle leven is verdwenen.

Natuurbeheer is een beladen term. Eckhart Kuijken, emeritus hoogleraar van de universiteit van Gent, zei ooit dat natuurbeheer een algemeen belang dient en dat jagers alleen een eigen belang dienen. Maken jagers misbruik van de term (natuur)beheer?

Jagers hebben het al snel over biologisch en duurzaam oogsten uit de natuur. Ik heb ooit een discussie gehad met dhr. Hoedemaker (directeur KNJV) over de eis van de jagers tot schadevergoeding wegens gederfde inkomsten door de komst van de wolf. Achter de jacht zitten gewoon heel veel financiële belangen. Denk aan bijvoorbeeld de pacht, de grootgrondbezitters en de schadevergoedingen. De regelgeving van de jacht is complex en ondoorzichtig, er zijn allerlei verstrengelingen en belangen. Er is nog steeds geen objectieve controlerende factor binnen deze wereld. Het zou goed zijn als de Faunabeheereenheden voorzien zouden worden van een onafhankelijke wetenschappelijke basis, want dan is hetgeen er gebeurt te controleren en te rechtvaardigen. Er zouden dus wildecologen aan moeten worden toegevoegd. De vraag is of de jacht dan nog een lang leven beschoren is.

De regelgeving van de jacht is complex en ondoorzichtig, er zijn allerlei verstrengelingen en belangen.

Is onze omgang met de natuur en het wild in Nederland nog te verklaren vanuit de sociale filosofie?

We moeten zo min mogelijk ingrijpen en terughoudend zijn, waardoor natuurlijke processen een kans kunnen krijgen. Ik vergelijk het met de beschavingsgeschiedenis van Norbert Elias, een bekende Duitse socioloog. We hebben eerst geleerd onze emoties te onderdrukken en daarna moeten we leren onze emoties op een gecontroleerde manier de vrije loop te laten. Dat geldt in wezen ook voor onze greep op de planten- en dierenwereld. In de loop van de geschiedenis hebben we onze controle op de natuur meer en meer versterkt, maar nu moeten we weer leren die controle stapje voor stapje af te bouwen.

We moeten zo min mogelijk ingrijpen en terughoudend zijn, waardoor natuurlijke processen een kans kunnen krijgen.

In 1992 bent u gepromoveerd op een proefschrift over het werk van de Duitse filosoof Jürgen Habermas die zich vooral bezighield met politieke filosofie. Hoe bent u verzeild geraakt in de milieufilosofie?

Habermas houdt zich inderdaad vooral bezig met politieke en sociale filosofie, en in het bijzonder met vraagstukken over de aard en betekenis van democratie. Veel van mijn ideeën kwamen bij hem vandaan. De verandering richting natuur en milieu is vrij geleidelijk gegaan. In mijn boek ‘Strijd om de natuur: kritiek van de radicale ecologie’ was ik erg kritisch over wat ik radicale ecologie noemde. Zo zag ik natuurontwikkeling toen als een tamelijk elitair gebeuren. De filosofievakgroep aan de Wageningen Universiteit is in die tijd door het ministerie van LNV gevraagd om de ethiek van grote grazers voor zijn rekening te nemen. Zo raakte ik heel direct betrokken bij de grote grazers en wat er gebeurde in de Oostvaardersplassen. Dit was voor mij een omslag.

In uw boek ‘Dieren in ons midden’ geeft u aan dat u in het begin erg kritisch was op het werk van Frans Vera. Wat heeft deze omslag daarin teweeg gebracht?

Klopt, ik was inderdaad kritisch en mijn boek getuigt nog van die kritiek. De omslag kwam door de betrokkenheid van de vakgroep Filosofie  aan de Wageningen Universiteit. Wij hebben in die tijd een invloedrijk rapport geschreven en sindsdien ben ik meer en meer betrokken geraakt bij het milieu en uiteindelijk ook bij de dieren. Ik ging daardoor ook anders aankijken tegen het werk van Frans Vera. Tegenwoordig horen planten ook tot mijn interessegebied. Binnenkort komt mijn nieuwe boek uit ‘Boommensen’.

18 november 2020

Pin It on Pinterest